Geschiedenis van de wijk Patershol


Een historische wandeling

‘Het Patershol’, een plek in het centrum van de stad, is niet groter dan dertien straatjes en een pleintje. Vijf eeuwen geschiedenis concentreren zich op een oppervlakte van nagenoeg 4,5 ha., en dat vanaf de 15de eeuw tot nu.

Historisch sleept de wijk een wisselende reputatie met zich mee, een heen en weer van
vijf eeuwen tussen welstand en marginaliteit.

Het prille begin.

In het begin van de 10de eeuw werd langs de linkeroever van de Leie, op ongeveer één kilometer van de samenvloeiing met de Schelde, een omwalde grafelijke versterking of castrum in de vorm van een eiland opgericht.

In dat grafelijk gebied, los van de “Oude Stede van Gent” werd in de 10de eeuw deze site versterkt en uitgebreid waardoor een “novum castellum” ontstond. Het eiland, waar de horigen van de graaf verbleven, kreeg de naam “vetus burgus” of Oudburg. Pas in de late 11de eeuw werd door de graaf een stenen zaalgebouw opgericht op de plaats van het “novum castellum”. Dat werd op het einde van de 12de eeuw vergroot en onder graaf Filip van den Elzas omgebouwd tot een machtige burcht. In de schaduw van deze burcht -het Gravensteen- ontstond de wijk, in de lengte doorsneden door de in 1872 gedempte Plotersgracht.

De Oudburg, het deel tussen de Leie en de loop van de Plotersgracht, was oorspronkelijk bezit van de graven van Vlaanderen en werd in 1274 bij het Gentse schependom gevoegd. Zijn versterkte poorten werden binnenpoorten, zonder defensieve betekenis. Ze werden in de late middeleeuwen afgebroken, wat meteen de fusie met Gent betekende. In 1363 werd daar het Kinderen Alyns hospitaal opgericht, nu een schitterend museum, het “Huis van Alijn”. Het noordwestelijk gedeelte, rechts van de Plotersgracht( naar “de Lange Steenstraat toe), behoorde tot het “Borchgravengerechte”. Dit gebied werd sinds de tweede helft van de 11de eeuw door de kastelein van Gent in leen gehouden van de graaf van Vlaanderen en op het einde van de 13de eeuw verkocht aan de schepenen van Gent.

Twee kloostergemeenschappen vestigen zich in de wijk.

In 1287 werd door de Geschoeide Karmelieten* het refugium van de abdij van Cambron in de Lange Steenstraat verworven, wat de aanzet was voor het bouwen van het latere Caermersklooster. In de onmiddellijke nabijheid, aan het Drongenhof ,vonden later de Norbertijnen van Drongen een stedelijke verblijf in een refuge . Midden de 14de eeuw werd in de Geldmunt ook nog de Sint-Eloyskapel en het aanpalende hospitaal opgericht (beide zijn nu verdwenen). Hiermee kreeg de wijk zijn definitieve begrenzing.

*De Karmelieten (Caermers) zijn kloosterlingen van de orde van O.L.Vrouw van de berg Karmel (een 170 meter hoge berg in het Israëlische deel van Palestina aan de Baai van Akka). De orde werd gesticht rond 1155 door Berthold uit Calabrië, die op deze berg een tiental kluizenaars om een Mariakapel verzamelde onder de Regel van de H. Basilius.

De Orde ontving van Albertus van Alvorado, patriarch van Jeruzalem, haar nieuwe regels die door paus Honorius II in 1226 werden bekrachtigd. In 1253 werd ze, door paus Innocentius IV onder de bedelorden opgenomen en hing daardoor rechtstreeks af van de Paus en niet meer van de plaatselijke bisschoppen. De Karmelieten werden ook Onze Lieve Vrouwbroeders of Vrouwebroers genoemd omdat ze een bijzondere verering opbrachten voor O.L.Vrouw.}

Het Caermersklooster, een bewogen geschiedenis. (1287-2000)

De metamorfose van een religieus gebouw: katoenspinnerij, woonsite, kunstenaarsateliers, museum van volkskunde , opslagplaats, cultureel centrum.

De geschiedenis van de Geschoeide Karmelieten in de wijk Patershol begint in 1287. Ze vestigden zich aan de linkeroever van de Plotersgracht en kregen de beschikking over de daar reeds gevestigde refuge van de abdij van Cambron uit Henegouwen. Daar bouwden ze geleidelijk een klooster uit dat zich aanvankelijk situeerde op het terrein tussen de Plotersgracht (waterloop), de Lange Steenstraat en de Vrouwebroersstraat (vroeger Kuiperstraat).

Hun oudste kerk zou dateren uit het begin van de 14de eeuw en beperkte zich tot een éénbeukige zaalkerk.

Geleidelijk vergrootten ze hun klooster waarbij ze, in de 17de eeuw, gronden verwierven gelegen langs de andere oever van de Plotersgracht. Daar bouwden ze in 1658 hun nieuw Ziekenhuis dat aansloot bij het Eerste Pandhof. In de 18de eeuw breidden ze hun klooster verder uit naar het Drongenhof toe met een Tweede Pandhof. In dezelfde eeuw volgde ter hoogte van hun Ziekenhuis een Brouwerijgebouw bovenop de loop van de Plotersgracht. In de Lange Steenstraat werd uiteindelijk in 1753 nog een “Spreekhuis en Nieuwe Sacristie” opgetrokken.

Na eeuwen van een rustig en rimpelloos bestaan, slechts in de zestiende eeuw verstoord door hevige godsdiensttroebelen, werden tijdens de Franse Revolutie in 1795 de bedelorden afgeschaft en de Geschoeide Karmelieten uit hun klooster verdreven. De kloostergebouwen werden door de Fransen openbaar verkocht maar via stromannen door de Karmelietenorde terug aangekocht. Het patersbestand stierf echter uit en de gebouwen kwamen in handen van de kerkfabriek van de parochie Heilig Kerst. De gebouwen verloren definitief hun religieuze functie.

De Industriële revolutie: een fabriek en een woonsite.

In de helft van de 19de eeuw liet de parochie Heilig-Kerst de gewezen kruisgang van het tweede pandhof ombouwen tot duplexwoningen die moesten helpen bij het lenigen van de woningnood die ontstond door de komst van de vele fabrieksarbeiders voor o.a.de textielindustrie. Andere locaties in het klooster werden verhuurd als ateliers en opslagplaatsen. De parochie verkocht de kerk aan industriëlen die er een katoenspinnerij in onderbrachten. Met het afschaffen van de “octrooirechten” aan de stadsgrenzen in 1860 en het vergroten van de spinmachines en weefgetouwen, werden de fabrieken in de binnenstad te klein en verplaatsten ze zich naar de buitenwijken, waar meer ruimte was. Ook de kerk als industrieel pand werd verlaten.

Ateliers en werkplaatsen

De grote en hoge zalen in het klooster trokken zowel ambachtelijke als artistieke activiteiten aan. Reeds in 1808 troffen we hier de eerste kunstenaarsateliers aan. De neoclassicist Joseph de Couwer opende de reeks, in zijn spoor, in 1813 volgde Jozef Paelinck. Dit was het begin van een lange reeks die liep over o.a. Hippolyte Leroy, George Minne, Jules De Bruyker, Frits Van Den Berghe, Jos Verdegem, Camille Dhavé. In de zestiger en zeventiger jaren van vorige eeuw sloten enkele voortrekkers van de “Nieuwe Roccoco “en de “Gentse Constructivisten” de rij af. Ondanks hun protest, gesteund door heel wat vooraanstaande collega’s , werd het pand onbewoonbaar verklaard, maar ze verkregen tenslotte de garantie dat de bewoning behouden bleef… na restauratie.

Museum

In 1886 werd de kerk aangekocht door de Stad Gent die er op vraag van een heemkundige vereniging een Museum voor volkskunst in onder bracht. Als dit museum verhuisde naar het “Kinderen Alijn hospitaal” , aan de andere kant van de wijk, werd de kerk tussen 1962 en 1978 een opslagplaats waar o.a.de operadecors een onderkomen vonden.

Woonsite en Provinciaal cultureel centrum

De kloostergebouwen werden in 1979 doorverkocht aan het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen met het doel het belangrijk historisch erfgoed te renoveren en er een Culturele bestemming aan te geven. Daar, door de aankoop, de woonfunctie van het Tweede Pandhof in gevaar zou komen is in 1980 de kerk, eigendom van de Stad Gent, geruild met het Tweede Pandhof samen met het daarbij horende Nieuwe Spreekhuis en Sacristie. Het Tweede Pandhof is toen als renovatieproject bij het Herwaarderingsgebied Patershol gevoegd, zodat de woonfunctie ervan verzekerd werd. Het Tweede pandhof, eigendom van de stad Gent, telt 34 wooneenheden, verdeeld over het gelijkvloers en een verdieping.

De renovatie van de overige kloostergebouwen, eigendom van de Provincie Oost-Vlaanderen, gebeurt in verschillende fasen. De eerste fase, namelijk de renovatie van het gewezen Ziekenhuis (infirmerie), de vroegere Brouwerij, de bijgebouwen en de tuinaanleg is reeds uitgevoerd. Eveneens de tweede fase, namelijk de kerk, de zgn. Lange Gang en de gebouwen gelegen kant Lange Steenstraat. Deze ruimte heeft door het Provinciebestuur een culturele bestemming gekregen en is daardoor reeds een trekpleister voor het Cultuurminnend publiek.

Momenteel is de derde en laatste fase in uitvoering, n.l. de vleugels aan de kant van de Vrouwebroerstraat, langs de gewezen loop van de Plotersgracht en de vleugel die het eerste en tweede pandhof delen.

De Drongenhofkapel

De laatgotische kapel uit 1607 is een blijvende herinnering aan de Norbertijnen of Witheren die, in aansluiting met hun 14de eeuwse refugium, er een succursale van hun eigen klooster in Drongen (verwoest tijdens het Calvinistisch bewind in 1578) hebben gebouwd. Deze religieuze orde heeft de wijk verlaten in 1698 om zich terug te vestigen in hun inmiddels herbouwd klooster te Drongen.

Behalve enkele bewaarde muurfragmenten, die aan hun verblijf in de wijk herinneren, rest alleen nog de uit 1607 daterende kapel in het Drongenhof. Deze laat-gotische kapel, een beschermd monument, is door de stad Gent aangekocht en wacht nog steeds op restauratie nadat ze lange tijd enkel dienst deed als werkplaats, magazijn,garage …

Ondertussen in de middeleeuwse straatjes

Toen in het begin van de 15de eeuw het Gravensteen zijn functie als grafelijke versterking had verloren, vestigden de Raad van Vlaanderen, een rechtscollege, en het College van de Oudburg zich in de vroegere middeleeuwse waterburcht. Vanaf dat moment gingen zich ook notabelen, magistraten, procureurs, advocaten en deurwaarders in de wijk aan de voet van de burcht vestigen. Door het verblijf van deze notabelen die imposante woningen lieten bouwen werd deze site in de 17de en 18de eeuw een soort “miljoenenkwartier” van het toenmalige Gent.

Na deze hoogconjuctuur volgde het verval bij het begin van de industriële revolutie.

Heel wat grote woningen uit de wijk werden inderhaast verbouwd tot woonkazernes en hun achterliggende panden, vroegere werkplaatsen of koetsenhuizen, kregen eveneens een woonfunctie. Ze werden in feite “beluiken”.

In het teken van leder, Plotersgracht, Corduaniersstraat, Zeugsteeg.

Plotersgracht

Het Patershol werd over zijn ganse lengte in twee gesneden door de

loop van een gracht waardoor de Leie, of het begin van de Lieve, in

verbinding werd gebracht met de Schipgracht. De overwelfde ingang van

de gracht is nu nog duidelijk te zien vanuit de Sint-Widostraat.

Over de oorsprong van deze gracht lopen de meningen van de

historieschrijvers uiteen. Sommige menen dat de gracht kunstmatig is

aangelegd. Andere zijn van oordeel dat het een natuurlijke Leieloop is

die in de loop van de eeuwen werd gekanaliseerd.

De Plotersgracht verzekerde de bevoorrading van de langs de gracht gelegen kloosters.

Bij het deels openleggen van de gracht in 1994, aan de zijkant van de kapel van de Norbertijnen heeft men de ringen in de kaaimuren, waaraan de scheepjes werden vastgemaakt, teruggevonden. Gezien de doorsnede van de ringen (sommige hadden een doorsnede van25 mm.) mag men aannemen dat men met snelle stroming

rekening hield. De gracht, die daar een breedte had van ongeveer vier

meter, was tamelijk diep. Bij het uitgraven van het vulmateriaal tot

een diepte van 4 meter onder het maaiveld, was de moederbodem nog niet

bereikt.

De gracht heeft in de loop van zijn geschiedenis heel wat benamingen gekregen. We zetten ze even op een rij:

– 1324: “der gracht Bachten den Caermen”

– 1326: “Quaed grachtkin”

– 1487: “Zwarte leertouwersgracht”

– 1502: Witte leertouwersgracht”

– 1623: “Plottersgracht”, ook soms “zeven brugsken”

– 1796: “Plottersgracht” of Tossé des Megissiers”

De naam van de gracht is dan ook een straatnaam geworden.

Reeds vroeg werd de wijk bewoond door lederbewerkers. Ploten is immers de eerste fase in het productieproces om leder te maken. De huiden werden in een rivier/gracht gespoeld om dan in gemetselde putten gedrenkt te worden in een mengsel van water en kalk. Het haar en het vet werd van de huid geschraapt. Zo kreeg men een “ploot”: een huid die geschikt is om te looien. De Ploters woonden dus bij voorkeur aan water omdat ze voor het zuiveren van de huid, véél water nodig hadden. In enkele woningen zijn resten van plotersputten teruggevonden.

Corduwaniersstraat

Corduwanier”, is de historische naam voor een “nieuwe-schoenmaker”. Deze ambachtslui vormden oorspronkelijk een afzonderlijke ambachtsgilde. Ze hadden het alleenrecht om fijne dure schoenen te vervaardigen van leder, ingevoerd uit Cordoba, hoofdstad van de gelijknamige provincie in Andalusië . De industrie omvatte toen voornamelijk lederbewerking , Cordouanleder van geiten en schapen. Later werd deze ledersoort in onze gewesten nagebootst. In de 16de eeuw geraakte het gebruik van fijn leder op de achtergrond en werden Corduwaniers gewone schoenmakers. Ze maakten schoenen van o.a. “zeughenleder (Zeugsteeg?), coyen- of calverinleder(Kalversteeg?) ende gehezuelt met coyene of ossene zolen”. Het is schepen Vermeulen die in 1942 de oude naam Bogaertstraete in Corduwaniersstraat veranderde, omdat heel wat schoenmakers daar hun beroep uitoefenden. De Corduwaniers vestigden zich nabij de Plotersgracht, waar het basismateriaal gemaakt werd.

In het kader van de sanering van de wijk Patershol zal de in 1872

gedempte Plotersgracht terug deels opengelegd worden. De eerste aanzet

was reeds gegeven door het Provinciebestuur, bij het uitvoeren van de

eerste fase van de renovatie van het gewezen Caermersklooster

(1981-84) ter hoogte van de vroegere Brouwerij. Het is de bedoeling

van de stad Gent om, op middellange termijn, de gracht volledig vrij

te maken tussen het Drongenhof en de Vrouwebroersstraat.


Het Kaatsspelplein,
een nieuwe hart voor ’t Patershol?

Het Kaatsspelplein dat in 1418 het “plaetske achter de Oudburg” werd genoemd, werd in 1474 verhuurd aan een zekere Joos Wielant om er te “caetsen” mits bij de Schepenen jaarlijks 20 Schellingen Groote daarvoor te betalen

Op de achtergrond staat het “ziekhuis” (infirmerie) die de paters er in 1658-1661 hebben laten bouwen over de Plotersgracht heen.

De zijgevel van de “infirmerie” liep in het verlengde van hun kloostermuur in de Trommelstraat (vroeger Korte Kalversteeg), in de muur zat van oudsher een poort die toegang gaf tot de Plotersgracht. Met het bouwen van hun “infirmerie” bleef deze erfdienstbaarheid behouden en werd onder het nieuwe gebouw een overwelfde gang voorzien die leidde naar het water. Het poortje was voor de wijkbewoners een herkenningspunt die ze het “Paters-Hol” noemden. Deze zienswijze wordt gestaafd door vermeldingen op 18de eeuwse bouwaanvragen en door een document uit 1785 waarbij Sr Alexander de Mey, rentenier en Vinder van de St.-Michiels Onder-Kosterije, beschreven staat als “wonende in het Paters-Hol”, naam die in dit document gebruikt werd als alternatieve benaming voor de Korte Kalversteeg”. De prachtige gevel van de “infirmerie”, in Vlaamse renaissancestijl, is vooral bekend voor de drieëndertig eikenhouten consoles onder de dakrand, uitzonderlijke expressief gesculpteerde saterkoppen, die bescherming moesten bieden tegen het kwade.

Sinds de bouw van sociale woningen aan één kant van het pleintje is het een ontmoetingsplaats geworden die speelruimte biedt voor de talrijke kinderen uit de buurt. Sinds de start van de hernieuwde patersholfeesten medio jaren 80 fungeert het pleintje ook als kern voor deze historische dekenijfeesten.

De Kraanlei, een verhaal met een moraal, een bijzondere gevel nader bekeken.

Wie de naast elkaar staande woningen op de Kraanlei, aan de ingang van de Rodekoningstraat, goed bekijkt wordt geconfronteerd met een stuk religieuze en profane geschiedenis. De decoratie aan de woningen “Den Vliegenden Hert, “De Werken van Barmhartigheid” en “De Klok”, zijn juweeltjes van expressieve kunst en hebben een groot moraliserend karakter.

Een voorbeeld: Panelen “De klok”

De Gerechtigheid wordt voorgesteld door een vrouw met zwaard en weegschaal. Ze vertrapt Nero, Romeins keizer (54-68), bekend om zijn misdaden en wanbestuur. Hij liet zijn moeder ombrengen daar hij haar heerschappij vreesde. In het jaar 64, toen een deel van Rome door een geweldige brand in de as was gelegd trachtte hij, zelf van brandstichting verdacht, de schuld op de Christenen te werpen en deed hen op de wreedste wijze martelen. Zijn naam staat symbool voor al het gruwelijke en de misdaden die het keizerlijk Rome hebben geschandvlekt.

De Sterkte wordt tijdens de barok voorgesteld door een vrouw met naast zich een afgeknotte zuil of die een zuil middendoor breekt, aan Samson’s daad herinnerend. Ze vertrappelt Holofernes die, volgens een bijbels verhaal, een veldheer van de Assyrische koning Nebukadnezar was en de stad Bethulia (vroegere naam van Palestina) belegerde. Toen het volk radeloos was begaf Judith (heldin uit het bijbelse verhaal) zich naar het vijandelijk leger, wist de veldheer te boeien door haar schoonheid en hieuw hem, toen hij ’s nachts bedwelmd op zijn bed lag, met zijn eigen zwaard het hoofd af.

Opmerkelijk hierbij is dat de deugden voorgesteld worden door vrouwen en de ondeugden door mannen (sic).

Mannen maken plannen, visies en ingrepen door de stedelijke en provinciale overheid.

1862

Omdat de overheid het belang had ingezien van de, grotendeels bewaarde, historische wijk Patershol werd, bij K.B. van 23 april 1862, haar middeleeuwse stratenstructuur beschermd. De wijk ontsnapte op die manier aan de urbanisatie van de Gentse binnenstad. Verschillende pogingen tot sanering van de wijk, die stilaan sporen van verval begon te vertonen, mislukten of werden slechts ten dele uitgevoerd.

Doordat er zich in de jaren dertig van vorige eeuw heel wat herbergen in de wijk vestigden, geconcentreerd in drie nauwe straatjes, kreeg de wijk een slechte reputatie en werd de site door de meeste Gentenaars vermeden.

In 1937 besloot het schepencollege in te grijpen. Door een hogere taxatie te heffen wou de overheid het nachtleven aan banden leggen, terwijl eveneens maatregelen (welke)werden genomen om het aantal bewoners per logementshuis te beperken.

1945+

Kort na de tweede wereldoorlog trachtte de Gentse Dienst voor Stedenbouw, in een voorstel van Bijzonder Plan van Aanleg, het behoud van waardevolle elementen te verzoenen met de sanering van ongezonde toestanden of woonvoorwaarden, o.m. door de verbreding van de straten tot 12 meter. Deze laatste maatregel werd gelukkig niet doorgevoerd. In 1968 stelde architect Zerck een plan voor dat voorzag om aan het Patershol zijn 18de eeuwse fysionomie terug te schenken en de wijk een toeristische functie toe te bedelen. Deze historiserende visie stootte echter op felle weerstand en werd eveneens verticaal geklasseerd.

1970+

Door de jarenlange aarzeling om een definitieve bestemming voor deze wijk te formuleren was een behoorlijk deel van het huizenpatrimonium in een staat van verval terecht gekomen. In de jaren zeventig ontstond echter een hernieuwde belangstelling voor de wijk, die in zijn structuur en verschijning toch een uniek potentieel aan traditie, herkenbaarheid, menselijkheid, intimiteit en sfeer had behouden. Onder impuls van een groep mei-achtenzestigers werd een verdere kaalslag in de wijk afgewend en door een harde protestactie van de bewoners van het tweede pandhof – het pandinistisch verblijvingsfront- slaagden die in hun opzet om hun unieke woongelegenheid te vrijwaren.

Uiteindelijk werd de wijk in september 1982 als tweede Herwaarderingsgebied in Vlaanderen erkend waarbij de “woonfunctie” centraal werd gesteld. Gans het gebied, begrensd door de Leie, de Sluizekenskaai, de Lange Steenstraat, de Geldmunt, het Veerleplein en de Kleine Vismarkt werd beschermd als stadsgezicht en 94 woningen en gebouwen werden geklasseerd omwille van hun architectonische, volkskundige, artistieke, historische of industrieel-archeologische waarde. Om de leefbaarheid in de wijk te waarborgen en jonge gezinnen aan te trekken werd op de kale plekken geopteerd voor het bouwen van sociale woningen en stadswoningen.

In het kader van de sanering van de wijk Patershol zal de in 1872

gedempte Plotersgracht terug deels opengelegd worden. De eerste aanzet

was reeds gegeven door het Provinciebestuur, bij het uitvoeren van de

eerste fase van de renovatie van het gewezen Caermersklooster

(1981-84) ter hoogte van de vroegere Brouwerij. Het is de bedoeling

van de stad Gent om, op middellange termijn, de gracht volledig vrij

te maken tussen het Drongenhof en de Vrouwebroersstraat

De wijk Patershol is door de overheid bewust niet uitgebouwd tot een kunstmatige gehistoriseerde wijk, het is een woongebied waar de mens centraal staat en waar het eigentijds leefcomfort geïntegreerd is in het beschermde historische weefsel. Een wijk waar het goed moet zijn om te wonen.

Eind goed al goed?

Met de renovatie opgestart in de jaren tachtig is er terug een blad in het groot geschiedenisboek van deze site omgeslagen.

Dat vernieuwde Patershol, resultaat van samenwerking tussen overheid en privé- initiatief en met zorg voor het historische erfgoed, wil zich mensvriendelijk opstellen. De wijk zal, met de verdere restauratie van het Caermersklooster, een ontmoetingsplaats zijn voor een kunst- en cultuurminnend publiek. Met een gefaseerde restauratieplanning ziet het er naar uit dat we toch nog enkele jaren voor de boeg hebben. De samenhang van het buurtweefsel komt langzaam terug, een traditie wordt hierin voortgezet.

Sinds de erkenning van de wijk als “woonerf” kan men er, meestal, ongestoord wandelen.

Kortom, het Patershol beantwoordt met zijn middeleeuwse structuur aan de eisen die vandaag gesteld worden bij het ontwerpen van een leefbare woonbuurt. Er is gestreefd naar een buurt met comfortabele gezonde woningen en een zeer diverse bevolking.

Epiloog

Een intense buurtwerking, sinds de jaren tachtig, via de Koninklijke Dekenij Patershol vzw. probeert alvast de problematiek van “wonen” & “uitgaan” , kortom een samengaan van leven en werken met respect voor de verschillende belangengroepen verder uit te bouwen.

Bij een avondwandeling in de straatjes ruik je er niet alleen een mix van verschillende keukens, je ontmoet er ook een diversiteit aan mensen waardoor er bijwijlen een eeuwigdurende vakantiesfeer hangt.

Tenslotte een eenvoudige dienstmededeling, de wijk heeft het statuut van ‘Woonerf’, er mag dan ook, om veiligheidsredenen, NIET GEPARKEERD WORDEN. Op enkele honderden meters rond het Patershol zijn verschillende openbare parkeergarages ( Vrijdagmarkt, Tolhuis, Ramen) , de wijk is ook uiterst gemakkelijk te bereiken via het openbaar vervoer.

Bibliografie

1. Driemaandelijks tijdschrift Gentse Vereniging voor Stadsarcheologie

– Het Herwaarderingsgebied Patershol, Het Tweede Pandhof van het Karmelietenklooster. Jaargang 15 nr. 4.

– Het klooster van de Geschoeide Karmelieten. Jaargang 16 nr. 4.

2. Jaarboek Provincie Oost-Vlaanderen, uitgave 1973.

3. Driemaandelijks buurtkrant “Patershol’ uitgave Kon. dekenij Patershol.

Roger Van Bockstaele

Jo Debacker